In Vlaanderen gaat bijna 52% van de baby’s en peuters naar de formele kinderopvang. Ze brengen er heel wat tijd door. Goede kinderopvang doet veel meer dan enkel kinderen opvangen en verzorgen. Ze draagt bij aan de ontwikkeling en opvoeding van kinderen. Dat is ‘pedagogische kwaliteit’. Als kinderen zich goed voelen, stellen ze zich open voor de wereld rondom hen. Ze gaan op ontdekking en ontwikkelen een band met andere kinderen en volwassenen.

Wat is MeMoQ?

Het decreet kinderopvang van 2014 ademde een grote ambitie uit op het vlak van pedagogische kwaliteit. Kind en Gezin zette deze ambitie om en gaf opdracht aan de universiteiten van Gent en Leuven om instrumenten te ontwikkelen die de pedagogische kwaliteit meten, monitoren en bevorderen. Het MeMoQ-project (Meten en Monitoren van de pedagogische kwaliteit (Q) van kinderopvang van baby's en peuters) werd uitgevoerd in samenwerking met de kinderopvangsector, opleidings- en vormingsorganisaties, Zorginspectie (van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin), ouders en experten. De combinatie van wetenschappelijk onderzoek met expertise en ervaringen uit de praktijk maakt MeMoQ bijzonder waardevol en uniek.

Tijdens het MeMoQ- project werden de volgende zaken ontwikkeld en uitgevoerd:

  • Het pedagogische raamwerk: een visietekst over kwaliteitsvolle kinderopvang van baby’s en peuters.
  • De nulmeting met het wetenschappelijk meetinstrument. Deze nulmeting geeft een beeld van de pedagogische kwaliteit in de Vlaamse kinderopvang vandaag.
  • Het monitoringsinstrument voor Zorginspectie. Zorginspectie kan hiermee de pedagogische kwaliteit in individuele opvanglocaties nagaan.
  • Het zelfevaluatie-instrument. Met dit instrument kan de kinderopvang zelf de pedagogische kwaliteit in de eigen locatie bekijken en bevorderen.

Beide instrumenten zijn gebaseerd op het wetenschappelijk meetinstrument.

Resultaten nulmeting: wat is de pedagogische kwaliteit vandaag?

De pedagogische kwaliteit werd grondig onderzocht door het Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs (ECEGO) van de KU Leuven o.l.v. Prof. dr. Ferre Laevers, en de Vakgroep Sociaal Werk en Sociale pedagogiek, van de UGent o.l.v. Prof. dr. Michel Vandenbroeck. Aan deze nulmeting namen 400 kinderopvanglocaties, zowel gezinsopvang als groepsopvang, deel. Zes dimensies komen aan bod: welbevinden en betrokkenheid van de kinderen, emotionele en educatieve ondersteuning, omgeving en omgang met ouders en diversiteit.

Waaruit bestond de nulmeting? Onderzoekers observeerden de kinderen zelf, de interacties tussen de kinderbegeleiders en de kinderen en de interacties tussen de kinderen onderling, de omgeving (binnen en buiten: inrichting en materiaal in de verschillende ruimtes en dagorganisatie). De ervaring van de ouders werd bevraagd. Bij de verantwoordelijke van de opvanglocatie werd nagegaan welke structurele contextfactoren de proceskwaliteit mogelijks beïnvloeden.

De resultaten brengen sterktes aan het licht van de Vlaamse kinderopvang maar uiteraard ook aandachtspunten. Ze worden weergegeven in een vierpuntenschaal waarbij 1 een lage kwaliteit, 2 een laag-matige kwaliteit, 3 een matig-hoge kwaliteit en 4 een hoge kwaliteit is.

Sterktes:

  • Geen verschil in pedagogische kwaliteit tussen de gezins- en groepsopvang.
  • Ouders zijn over het algemeen zeer positief over hun opvang, hoewel opvanglocaties nog meer aandacht kunnen besteden aan het kennen van en rekening houden met de verwachtingen en ervaringen van ouders.
  • Welbevinden: Meer dan 90% van de geobserveerde leefgroepen krijgt een score van 3 of meer op welbevinden. Dit betekent dat kinderen zich matig tot goed in hun vel voelen in de Vlaamse kinderopvang.
  • Emotionele ondersteuning: Zowel bij baby’s als bij peuters zit het op dit vlak relatief goed in de Vlaamse kinderopvang. Het overgrote deel van de leefgroepen (> 80%) heeft hier een matige- hoge (3) tot hoge (>3) score. Dat betekent dat de kinderbegeleiders nabij zijn, signalen van kinderen niet alleen oppikken maar er ook op reageren met aandacht voor het perspectief van het kind zelf.

Waar nog groeien?

  • Betrokkenheid: Voor betrokkenheid behalen 7 op de 10 leefgroepen in Vlaanderen een score lager dan 3. Dit betekent dat baby’s en peuters in de kinderopvang matig tot laag geconcentreerd bezig zijn.
  • Educatieve ondersteuning: Bijna in 8 op de 10 babygroepen en in zelfs meer dan 90% van de peutergroepen wordt een score lager dan 3 behaald. Dit betekent dat kinderbegeleiders op bepaalde momenten kansen laten liggen om kinderen uit te dagen en hun ontwikkeling te bevorderen. Dit betekent niet dat er voortaan in de Vlaamse kinderopvang nog enkel ruimte mag zijn voor geleide activiteiten. Dit wil zeggen dat bijvoorbeeld ook tijdens vrij spelmomenten of eetmomenten kinderen meer begeleid, of uitgedaagd zouden moeten worden o.a. via taal.
  • Omgeving: lage tot matige (<3) score voor omgeving (o.a. infrastructuur, materiaal, speelgoed) maar goede scores voor het onderdeel doeltreffendheid van de organisatie in de leefgroep. Minder evident blijkt de diversiteit aan gezinnen (mix) en maatschappelijke diversiteit als onderdeel van de opvang. 

Instrumenten voor zelfevaluatie en monitoring

Vanaf juni 2017 start Zorginspectie met het gebruik van het monitoringsinstrument. Dit instrument is een aanvulling op de huidige aanpak. Het geeft een genuanceerde en rijke feedback specifiek gericht op het bevorderen van de pedagogische kwaliteit. Zowel aandachtspunten als sterke punten komen aan bod.

Met het zelfevaluatie-instrument kan elke opvanglocatie aan de slag gaan om de pedagogische kwaliteit in de eigen context te bekijken en te verbeteren. Het instrument wordt aangeboden als een hulpmiddel. Het is afgestemd op het monitoringsinstrument van Zorginspectie. Op die manier kijken organisatoren van kinderopvang en Zorginspectie op dezelfde manier naar de pedagogische kwaliteit van de opvang en hebben ze een gemeenschappelijk taal om in dialoog te gaan.

Categorie: 
Algemeen - Zorginspectie